Op dinsdag 15 oktober 1811 zou Carlo Maria Napoleone Buonaparte (de officiële Italiaanse geboortenaam van de wereldberoemde Franse veldheer) met zijn gevolg halt hebben gehouden bij herberg De Zwarte Raaf in Aartswoud. Althans, zo gaat het verhaal dat in de streek is blijven rondzingen. Of het werkelijk zo is gebeurd, is niet met zekerheid vast te stellen uit de officiële reisverslagen van Napoleon.
Maar met een beetje verbeeldingskracht kun je je voorstellen dat het dorp op zijn kop staat wanneer de stoet arriveert. Nieuwsgierige dorpelingen verdringen zich rond de koetsen. De paarden dampen, hun flanken glanzend van het zweet. Een zacht geroezemoes gaat door de menigte: ‘De keizer!’
Een adjudant helpt Napoleon bij het afstappen. Het meest in het oog springend is zijn hoed: de bicorn, dwars op het hoofd gezet – de gevechtsstand die hem op talloze prenten onsterfelijk maakte.
Even later verdwijnt hij naar binnen om een eenvoudige maaltijd te gebruiken. Na nauwelijks een kwartier klinkt het bevel tot vertrek, richting Den Helder. De dorpelingen blijven achter, verwonderd én opgewonden. Ze hebben een spannend verhaal te vertellen aan iedereen die dat later maar wil horen. En zo moet deze dag in oktober 1811 zijn plek hebben gekregen in het archief met regionale vertellingen.
Volgens de officiële reisverslagen trok Napoleon vanuit Amsterdam via Broek in Waterland, Monnickendam, Edam en Hoorn naar Medemblik. Van daaruit heeft de keizer zijn tocht vervolgd via de West-Friese Omringdijk in noordelijke richting. In Den Helder en op Texel had de grote, kleine man gerichte belangstelling voor de marinebasis en de kustverdediging.
Veel Noord-Hollanders zullen de doorkomst van de Franse colonne met gemengde gevoelens hebben gadegeslagen. Achter de nieuwsgierigheid en opwinding ging immers ook ongerustheid schuil. Een jaar eerder had Napoleon, na de annexatie van het Koninkrijk Holland, de dienstplicht ingevoerd voor alle mannen vanaf twintig jaar. Voor talloze boerenzonen betekende dit dat zij, vaak tegen hun zin, moesten dienen in de Grande Armée. Zij trokken ten strijde in de veldtochten van de Franse keizer, waaronder de rampzalige tocht naar Rusland.
Families in West-Friesland kregen somber nieuws over hun zonen, of ze leefden jarenlang in pijnlijke onzekerheid. Ook mijn eigen familie bleef niet buiten schot. Eén van die jongemannen was namelijk Klaas Visser, geboren in 1790 in Andijk. Ik stam af van zijn broer Cornelis (1792, eveneens uit Andijk).
Tijdens onderzoek naar mijn familiegeschiedenis viel Klaas mij op, omdat er geen trouw- en/of overlijdensdatum van hem in de registers was te vinden. Zijn naam dook wél op in de digitale databank van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag. Ook de namen van de andere Nederlanders in het leger van Napoleon kun je daar vinden.
Voor gedetailleerde informatie moet je echter naar de archieven in Vincennes (bij Parijs). De reis erheen, de onzekerheid over het resultaat en de taalbarrière hebben mij daarvan tot nu toe weerhouden.
Mijn zoektocht bracht mij ook bij de namen van jonge mannen uit de dorpen en buurtschappen die nu de gemeente Opmeer vormen. Over hen gaat het in deel 2 van dit vervolgverhaal.
De foto is een AI-illustratie van Napoleons vermeende bezoek aan Aartswoud.
(wordt vervolgd)